top of page

Wandelpad #17 gileppe



vertrekpunt

Parking station Dolhain-Gileppe

Rue du Vicinal

4830 Limbourg


afstand

21,5 km


knooppunten / route

je kan de route hier raadplegen (Komoot)


catering

boterhammen met américain, kip-curry / twee bidons met water


opvallend / bedenkingen / verslag


Net zoals wij allemaal wilde F. iets groots, welhaast monumentaal, om mee uit te pakken in het bijzijn van belangwekkende figuren of gewoon voor zichzelf.

Ik stelde voor om de Gileppe te bestormen.

Eigen aan ambitieuze jongens gebruikten we grote woorden voor vreedzame bedoelingen. We waren thans genoeg geschoold om te weten dat je de Gileppe niet op dezelfde manier kon aanpakken als bijvoorbeeld de Bastille. Ik klasseerde de gedachte als een jeugdzonde, maar F. was wild enthousiast. Daarom besloot ik om me in te lezen over Lac de la Gileppe. Ongewild vergaarde ik wetenswaardigheden over de uitkijktoren, zevenenzeventig meter hoog, de beroemde leeuw, dertien meter hoog, de stuwdam en het Hertogenwoud. Het las allemaal als een verhaal waarin ridders en draken hun opwachting maakte. Over meer vond ik weinig.

Op afbeeldingen zag ik hoe men twee lompe torens in het meer had geplant. Ik beeldde me in hoe F. stenen uitzocht waarmee we de steunpilaren zouden bekogelen.


Ik stond vroeg op en verzamelde stil mijn materiaal. Niemand in huis moest de slaap laten voor mijn vertrek. Er was sprake van slecht tijdsmanagement. Ik had tijd te over en herinnerde me dat ik een zenuwachtige indruk maakte voor de spiegel. Ik schraapte wat gedroogde modder van mijn wandelschoenen en trok de veters meermaals strakker om ze vervolgens weer te ontbinden. Ik ledigde mijn rugzak en sorteerde de inhoud op tafel. Dit kan zo in een museum, bedacht ik. Ik reorganiseerde mijn bezittingen en schikte ze optimaal in mijn rugzak, waardoor hij bijna gewichtloos aanvoelde.

In de keuken ging ik op in het duister. Wie hier nu het licht aandoet, schrikt met een hartaanval als gevolg, merkte ik op.

Intussen had ik mijn tijd verdaan met nutteloze zaken en kon ik vertrekken naar het station. Bij wijze van opwarming legde ik de afstand stapvoets af.

In de Rondestraat schudde ik al mijn zorgen af. Ik ademde diep door de neus en had aandacht voor elke stap.

In de lucht verzamelden zich een hoop ongebruikelijke kleuren. Het einde van de steeg keek uit op het Ibis Budget Hotel. Een grillig bouwwerk met willekeurige oranje vegen op de voorgevel. Ze deden me denken aan streepjescodes. Ik keek lang naar het hotel met 139 troosteloze, moderne kamers, voorzien van gratis, maar onbetrouwbare Wi-fi. Er zou ook een lobby-pc ter beschikking zijn. Wie de nacht doorkomt, krijgt als beloning een zogenaamd budgetontbijtbuffet.

Ik daalde af via de Locomotievenstraat richting het Benedenplein en het hotel verdween uit mijn gezichtsveld.

Op het perron keek ik geduldig naar de klok en veerde licht op telkens de kleine wijzer zichtbaar voortkroop. Ondoordacht keerde ik terug naar de Rondestraat. De zon bleef rijzen en haar licht viel nu binnen in één van de voordelige kamers, nu nog exclusiever inclusief ochtendzon.

De lucht bloeide open als een purpere heide. Daar stond ik dan plaatjes te maken, terwijl treinen af en aan reden. Ik klom op een betonnen muurtje en bevond me op eenzame hoogte. Ik nam het ganse gebouw waar door mijn camera en zag hoe nieuwe kleurenformaties zich samenpakten rondom de rechthoek.


Ik kwam aan in S. en wandelde naar de woning van F. Hij onthaalde me vriendelijk en gebood me de rust en stilte te respecteren. Met weinig woorden kreeg ik een tasje koffie. Ik beantwoordde enkele vragen over de tocht en zong zacht van Gileppe, Gileppe, Gileppe. Ik verpakte het wijsje in een toegankelijke melodie dat ik gaandeweg niet meer kon herhalen.

In de auto regelde F. nog voor hij het gaspedaal induwde de temperatuur en zorgde zo voor een aangename omkadering. Enkel het radiostation baarde me lichte zorgen. Ouwelijke klanken stegen op vanuit verborgen boxen. Ik hoorde alles in stereo en kon niet meer ontsnappen. F. veranderde het kanaal en nu leek als vanzelf te gaan. We maaiden gretig kilometers en zette een goede tijd neer op de eindeloze Luikersesteenweg.

Het landschap transformeerde en verwelkomde ons met olijke neon-namen als Night Dreams, Climax, Paradou en Vesuvius. Halverwege reed de hybride Toyota voorbij Campus Saffraanberg. Vanop hun poëtisch klinkend landgoed salueerden de Koninklijke onderofficieren ons fier. F. hield zijn ogen gericht op de weg, maar ik lonkte even opzij en knikte vriendelijk terug.

De radio speelde eindelijk een lied dat mijn goedkeuring wegdroeg. Ik ontspande ter stond en genoot zichtbaar, wat ook F. niet ontging. Hij verhoogde het volume en zong flarden tekst mee. Hij kende duidelijk de tekst niet en verzon ter plekke wat woordgroepen die wonderwel bij de melodie pasten. Dit had een komisch effect waardoor we luidop moesten lachen. Daarna hief ik mijn hand om duidelijk te maken dat we niet mochten overdrijven. Dit mocht niet het hoogtepunt zijn. F. sprak begripvolle woorden en hij verlaagde het volume.


We parkeerden op de verlaten parking aan het station van Dolahin-Gileppe. Dolhain vergaarde ooit beroemdheid door haar sanatorium. Een mistroostig plekje dat men kort na de Tweede Wereldoorlog in het leven riep. Het ziekenhuis zou een piek hebben gekend omstreeks 1970 toen er zo’n honderdvijftigtal jonge TBC-patiënten de bedden bevolkten. Zoals ooit vele volkeren zich settelden rondom een vruchtbaar gebied of een lustig kabbelend beekje, bouwden de oprichters hun bastion in deze buurt omwille van de frisse buitenlucht afkomstig uit de bosrijke gebieden. Daarom sprak men ook al eens van het preventorium van Dolhain. Toen wetenschappers in de jaren negentig een beter medicijn ontdekten dan frisse lucht tegen tuberculose, zag men zich genoodzaakt het pand te sluiten.

Dit alles vond ik terug op het eeuwig uitdijende internet. Niets was mij nog vreemd aan deze streek. Ik zweeg tegen F. over het sanatorium. Zo gingen we pijlsnel richting Limbourg. Wat was het prettig om zonder oordelen en kennis het gebied te verkennen. Op een panoramisch punt wees ik naar de verte waarop F. vroeg wat er viel te zien. Ik sprak verward: alles, niets, ik weet het niet. Zo stapten wij verder door alles en gelijktijdig niets.

Ik had me te warm aangekleed en voelde mijn ledematen broeien in de talrijke laagjes stof en wol. Na een onverwachte helling, besloot ik een deel van mijn kledij op te bergen. Daar stond ik een doordrenkt T-shirt in het midden van een wintermaand. Voorbijgangers groetten ons en keken onbeleefd naar het zweet dat in het textiel stond gedrukt. F. nam beschaamd wat afstand en zei dat hij moest plassen.

We hernamen onze tocht. Ik klapwiekte beheerst om mijn lichaam op temperatuur te houden. Op het einde van de straat wachtte Sint-Anna op ons in haar kapel. Een achthoekig creatuur opgetrokken in bak- en natuursteen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leed het bescheiden optrekje onnodig schade met behulp van een Amerikaanse tankgranaat. De restauratie volgde snel in 1949 en vakkundig. Het was een goed jaar voor het geloof.

We volgden Hors les Portes richting Halloux, een dorp dat we onaandachtig doorkruisten. Onze blik was meermaals naar de grond gericht waar we modder en steentjes in alle formaten aantroffen. Ze schetterden in de zon, maar in onze ogen het bleven banale mineralen.

Een spraakmakende graafmachine stond bedeesd in een kuil. De staalblauwe Volvo hield zijn arm hoog. Ik groette beleefd terug.

Na de vlakke wegen volgen wat hellingen. We letten op onze ademhalingen en spaarden onze woorden. Ik had er alle vertrouwen in dat we ooit een top, een plateau zeg maar, zouden bereiken waar we vervolgens ronduit zouden spreken over alles wat ons bezighield tijdens die spannende steile meters.

Een slinks steentje had zijn weg gevonden in één van F. zijn schoenen. Hij begon wankel te stappen en verloor met ongewenste regelmaat het evenwicht. Ik hoorde hem diep zuchtte. Soms bedekte hij met zijn hand de ogen en wreef hij over zijn voorhoofd. Uiteindelijk dwong het gesteente hem halt te houden. We kozen een open plek uit in het midden van een naamloos woud. Zonnestralen slopen spaarzaam langs de bomen. Terwijl zetelde F. zich op een tros omgehakte bomen. Zwijgzaam trok hij een sok uit. Uit zijn rugzak verscheen een zakje met pleisters. Hij handelde als een geroutineerde verpleger en bedekte de getroffen huid. Na een amicale tik op de pleister, schoof hij zijn sokje er overheen. Ik verzachtte het leed nog meer met de aankondiging dat we weldra zouden pauzeren. Eenmaal we Foyr hadden bereikt, waren we halfweg en konden we de tocht, indien nodig, aan een gemoedelijker tempo, verderzetten. Ik wilde de kansen op andere blessures zoveel mogelijk beperken. F. waardeerde het gebaar.


Foyr maakte een smetteloze indruk met haar ordinaire huizen en charmante hoeves opgetrokken uit zand- of kalksteen. Alles was er vlot bereikbaar dankzij keurige wandelpaden. Akkertjes waren nauwgezet afgebakend met samengebonden twijgjes of een geometrische buxushaag. Later ontdek ik dat Foyr zoveel wil zeggen als gebouwd onder de bladeren.

We rustten uit op een stel houten balkjes. Moeiteloos droegen ze ons gewicht. F. haalde het rantsoen boven en stalde het met veel bezieling uit. Elke pistolet kreeg een toelichting. F. bestookte me met vragen aangaande smaak en textuur, of het deeg krokant genoeg was en welke verwachten ik zoal had van een brood. Ik sprak doordacht en beantwoordde uitgebreid de vragen zonder te zondigen aan wijdlopigheid. F. kauwde lustig en keek over het landschap. Ik bedankte voor een witte druif.

We wandelden verder door een bos. Er kabbelde een beekje en ik luisterde naar het krinklende waterding. Het woud bracht ons in verwarring met al haar paden en warrige schakeringen van groen en bruin. We weken af van onze route en stootte op een brugje waar F. kalm enkele keren over wandelde. Hij keurde het hout en vond het waardig genoeg om er een foto van te maken.

Ik nam de tijd om de kaart te bestuderen en kwam tot nieuwe inzichten. Ik wenkte F. en lichtte hem in over de huidige situatie en gebaarde te volgen.

Zo bleven we vertraging oplopen door allerhande eigenaardigheden. Want opeens stonden we in oog met een rustieke berghut, gelegen aan de rand van een ovale zwemvijver. Ik kon F. nog net tegenhouden toen hij een duik wilde nemen. Hier hebben wij geen tijd voor, zei ik streng. Hij foeterde wat binnensmonds en trok bruut de ritssluiting van zijn trui met onnodig veel kracht omhoog. Gelukkig legden we alles gauw bij en staarden we vreedzaam in het diepe blauw van het meertje. F. bleef er nog een tijdje verpozen, terwijl ik de omgeving bleef verkennen. Vanop afstand vond ik dat hij leek op Andrea Pirlo.

Net toen ik wilde vertrekken, besloot F. om zijn schoenen aan een zoveelste onderzoek te onderwerpen. Steentje, zei hij tegen niemand. Hij bleef lange tijd tegen zichzelf praten, terwijl hij beiden schoenen omgekeerd omhoog tilde.




Aan de stuwdam van Gileppe stond het leven niet stil. Er klonken weelderige geluiden van wenende kinderen en blaffende ouders. Men kocht blikjes frisdrank en gefrituurde snacks en twijfelde over tartaar of ketchup. In het midden van het meer stonden de twee befaamde, champignonachtige torentjes. Erboven lonkte de maan naar de wandelende weelde. Ik informeerde F. over de brug en de leeuwen, de diepte van het meer en de functie van de torens. Hij luisterde aandachtig en knikte telkens ik een pauze liet.




Verderop kwamen we nog een cabine tegen. Houten hutjes leken wel een thema.

Op de horizon tekende zich de silhouetten af van hoeves, stallen en een fiere kerk. We overwonnen het bos en daalden af naar de bewoonde wereld van Goé oftewel Gulke voor wie het Frans niet machtig was.

De omgeving verdeelde zichzelf netjes in percelen: koeien wisten waar ze mochten grazen en schapen bleven dankzij plotten bij hun eigen bende om te blaten. De prikkeldraad lag vriendelijk, maar vervaarlijk laag. Op een onbewaakt moment stormden we al te enthousiast de weide in. F. bleef met een stukje textiel hangen achter een onschuldig stuk ijzeren puntdraad. Ter hoogte van zijn scheenbeen ontbrak er nu een stukje broekstof. Het oogde erg stoer. Er vielen geen gewonden.

We keken op naar de neogotische Sint-Lambertuskerk en haar gedraaide torenspits. Op een bord las ik luidop Clochers Tors d’Europe. F. gaf aan dat moest ik werken aan mijn accent.

Scheef waakte de toren over de voorbijgangers. 'Hoort dit zo?', vroeg F. Ik onderwees hem in de techniek van de gedraaide spits, maar keek tijdens mijn betoog meermaals omhoog en moest toegeven dat dit exemplaar er al te eigenaardig uitzag.

Nadien ontdekte ik dat het om een constructiefout ging en dat de toren er zo slaperig bij hing omwille van een materiaaltekort.

De kerkdeuren bleven gesloten. Gelukkig kon je de charmante glas-in-loodramen vanop straat duidelijk zien. Ze werden begin 20ste eeuw vervaardigd door de filma J. Osterrath.

Vlak naast de kerk kon je een klein kerkhof bezoeken waar de doden aan de straatkant lagen te rusten. Verschillende wagens vertraagden er uit eerbied. F. en ik sloeg het tafereel een tijd gade en trokken dan weer onze snelheid op.

Een groep ouderen speelde jeu de boules. Ze streelden over hun groot uitgevallen knikkers en genoten van de typische geluiden: ijzer op grind, ijzer op ijzer. Ze kaatsten er niet naast en veinsden na elke worp met veel gevoel voor dramatiek met elkaar op de vuist te gaan.

Opeens stonden we op de parking van voetclub RFC De Goe, stamnummer 5366. Ik deed wat opzoekingswerk over de ploeg en leerde dat ze actief zijn in 3de provinciale D en er tegenstanders ontmoeten met schone namen als Butgenbach, R. ST. F.C. Andrimont A en R. Entente Rechantoise B.

Bij thuiswedstrijd hullen ze zich in een rood-witte tenue. Kleuren die we ook terugzagen op de muren van de kantine en kleedkamers. Op het embleem stond een hongerige wolf afgebeeld.

Een bende jongeren bevolkten het voetbalveld. Ze trapten beurtelings op een leeg doel. F. bracht enkele belangrijke momenten uit zijn voetbalcarrière in herinneringen. Hij besprak de posities waarop hij speelde en reconstrueerde met wilde gebaren enkele doelpunten. Bij de aanblik van een verlaten kei positioneerde hij zich alsof het ging om een penaltyfase. Hij nam een kleine aanloop en trapte ongewilde over het gesteente en verloor zijn evenwicht. Ik legde mijn hand op zijn schouder en zei dat het nu wel genoeg was. Ik wees naar het veld en zei dat hij zoiets beter kon overlaten aan professionele atleten. Gespeeld treurig zette hij de laatste kilometers in.

Al gauw verschreen het drukke Dolhain om ons op te beuren.

Verschillende wagens stonden langszij te wachten op groen licht. Ik hoorde aarzelende claxons en kwaad gefoeter op een achterbank. Voetgangers weigerden het zebrapad te gebruiken. Jonge kinderen beweende het tafereel. De stad leek in brand te staan. We maakten snel voort en weigerden te wennen aan de wildernis van de stad.

We maakten nog een te verwaarlozen klim en ik nam een foto van een fabrieksgebouw: PolyForm SA. Over de bakstenen muren had men donkerrode golfplaten gehangen. Het leek op de gordijnen van een theater.

Onderweg kwamen we een jong koppeltje tegen waarvan het meisje zich bezigde met de edele kunst van de fotografie. Haar onderwerp betrof een schalkse kat. Ze hing boven het beest en wierp er zo ongelukkig een schaduw over. Wie zou haar de edele kneepjes van het vaak leren, vroeg ik me af.

Haar metgezel staarde ons lange tijd aan en keek ongeïnteresseerde naar de hobby van zijn vriendin. Hij droeg een trainingsbroek van Diadora met aftandse kleuren en een pet waarvan de klep scherp was dichtgevouwen. Opmerkelijk hoeveel banaliteiten ons ter ogen kwamen in de laatste kilometers.

We zetten een zoveelste afdaling in en zagen een stukje spoorweg Dolhain-Gileppe. In de achtergrond tekende het station zich af met haar rondbogige raampjes en deurtjes. Nergens hoorden we een trein aankomen.

F. gooide zijn lijfje op een toevallige zitbank.

Hij registreerde de wandeling dankzij praktische technologische applicaties.

Hij bracht mensen op de hoogte van de afstand en onze gemiddelde snelheid.

Hij liet weten de eindmeet te hebben gehaald.




bottom of page